| Rob Stolk wordt geboren op 11 januari 1963 in de Rotterdamse
wijk Delfshaven. Hij is een nakomertje, zijn broer en zijn zus zijn tien en acht jaar
ouder. Zijn vader is gereedschapmaker en belandt al vroeg in de WAO. Moeder werkt als apothekersassistente. Als zijn broer en zus het huis uitgaan, wordt hij enig kind "Ik werd beschermd opgevoed" Een briljante leerling is Rob Stolk niet. Hij volgt de LEAO. Lager administratief en economisch onderwijs, en wordt na zijn examen postbode. Op zijn 18e valt de oproep voor de militaire dienstplicht op de mat. |
|
Zijn rustige leven neemt vanaf dat
moment een grote wending. Het is in die tijd dat het
ministerie start met de werving van
vrijwilligers voor Libanon. Het idee iets nuttig te doen
met zijn diensttijd trekt Rob Stolk wel
aan. Bovendien betaald de uitzending ook beter.
Bij het 43e Pantserinfanteriebataljon
leert hij voor de troepen uit te werken , transporten
te begeleiden, mijnen te herkennen en
met wapens om te gaan . Het was een wilde tijd
met veel kwajongensstreken .
Rob praat over het knoeien aan en
totaal loss rijden van auto's. Op 2 december 1981
vertrekt hij naar Libanon. Voor de
eerste keer van zijn leven Zit hij in een vliegtuig. Er
gaat een wereld voor hem open. Bij
aankomst op het vliegveld van Beiroet valt hij in de
ene verbazing in de andere. Libanon
lijkt niks op het mediterrane vakantieland uit de
reisbrochures maar is een grauw land vol
kapotte huizen, omringd door autowrakken en
rondslingerend vuil. De militairen
vertrekken naar het zuiden. De wegen zijn op veel
plaatsen kapot en overal doemen
wegversperringen op. Mensen die zwaarbewapend
rondlopen, kijken hoogst onvriendelijk
de vrachtwagens in. Het heftige gebaren van de
bewapende Libanezen staat hem nog
duidelijk voor de geest. Het Nederlandse
Unifil-hoofdkwartier is gevestigd in het
dorpje Haris, ten oosten van de havenplaats
Tyrus. In een moeilijk begaanbaar gebied
van 300 vierkante kilometer moeten de
Unifillers, zoals de leden van de
VN-macht daar heten, als politieagenten zonder
machtsmiddelen de vrede bewaren.
Enerzijds moeten ze infiltratie voorkomen van de
PLO-strijders die aanslagen willen
uitvoeren op Israël.
Anderzijds staan ze onder druk van de
door Israël gesteunde christelijke milities van
majoor Haddad. Al na de eerste maand
beseft Rob Stolk de gecompliceerde en ook
hopeloze situatie van de VN-macht. Bij
roadblocks waar auto's op wapens worden
gecontroleerd Werken de plaatselijke
bewoners niet mee. De Unifillers worden bedreigd
en met stenen bekogeld. Soms gebeurt het
dat gewapende Libanezen 100 meter voor
hun roadblock autobanden in brand
steken. Rob Stolk: "Als Unifiller moet je daar op af,
want die lui mogen geen wapens dragen.
Maar ontwapenen mag ook weer niet. Je mag
ze alleen omsingelen en hopen dat ze
zich overgeven. Wat ze natuurlijk nooit doen. Maar
in de tussentijd sta je wel in hun
geweerloop te kijken." Bij grote confrontaties maken de
Nederlandse militairen deel uit van De
Force Main Reserve. Een eenheid die andere
Unifil-eenheden bijstaat.
Op een avond rijdt Stolk als
chauffeur annex verkenner voorop in een open Nekaf, een
soort jeep. De eenheid komt terecht in
een vallei waar Haddad en PLO een robbertje
aan het vechten zijn. Het enige wat
Stolk in het donker ziet is lichtspoormunitie. Kogels
die van de ene zijde naar de andere
vliegen en vice versa . Achter hem hoort hij het
dichtslaan van de luiken van de
pantservoertuigen. Klap. Klap. Klap. Klap. Iedereen
zoekt beschutting. Hij hoort de
luitenant naast hem zeggen: "Rob als het voertuig geraakt
wordt: spring eruit en ga in dekking.
Let niet op mij, want ik ben er dan ook al uit. " Rob
Stolk: "Dat is één van de meest
angstige momenten in mijn leven geweest. Mij is niets
overkomen, althans fysiek. Geestelijk
wel natuurlijk, want elke meter die je rijdt ben je
bang. Ik ben niet gelovig, maar ik heb
zitten bidden voor m'n leven.
Hij vertelt over post 7-10 Bravo een
paar honderd meter voor de IJzeren Driehoek
waar het PLO-gebied begint Begint. Bij
hun infiltratiepogingen lopen de Palestijnen 's
nachts onder de Unifil-radar door.
Daarop besluiten de Unifillers in de wadi, de droge
rivierbedding, een kleine post in te
richten. "De boeren uit de omgeving lieten daar hun
schapen grazen en smeerden alle muren
waar wij tegen aan konden leunen in met stront.
Elke keer verse schapenstront. Zo werd
je behandeld." Stolk somt een waslijst van
klachten op waaronder de Unifillers
gebukt gaan. Zijn verkenningspeleton is
ondergebracht bij de compagnie waar de
administratie en hoge officieren zijn ingedeeld.
Door de onregelmatige diensten kunnen ze
zich niet aan de strikte kantinetijden houden.
Vaak is het eten op en de keuken
gesloten. Aan water is altijd een gebrek. Door het
ruwe terrein verkeren de voertuigen in
slechte staat. Het ontbreekt aan voldoende
reserve onderdelen, winterkleding
arriveert pas als het alweer begint te zomeren. De
witte verf, de standaard kleur voor
VN-voertuigen is zo schaars dat Stolk de verfbussen
zelf aanschaft bij de lokale
middenstand.
En dan zijn er
wrijvingen met het kader. Wanneer Stolk als chauffeur van een
interventieteam te snel door het dorp
rijdt, wordt hij door een Nederlandse officier
aangehouden. Als Stolk roept dat ze op
weg zijn om bijstand te verlenen aan een
roadblock dat onder vuur ligt, reageert
de officier met : "Niks mee te maken, Regels zijn
Regels." Volgens Stolk hebben veel
officieren geen benul van de realiteit. "Op een
gegeven moment had ik mijn Uzi al in
mijn handen. Zo van : "die man gaat dadelijk plat."