Rob Stolk's maatje Rudolf van der
Veen was kok en chauffeur. Ze trokken veel met elkaar
op. Van der Veen legt wat puzzelstukjes
op hun plaats. Stolk is nooit geliefd geweest bij het
kader toen hij in Libanon zat, vertelt
hij. Terwijl iedereen z'n kleren netjes in een kast hangt,
laat Rob die in zijn plunjebaal zitten.
Hij slaapt ook niet onder een laken en deken, maar in
zijn slaapzak.
Als tegen hem wordt gezegd:
"Jongen je moet je schoenen poetsen! "is Rob's reactie:
"Waarom? Ik kan m'n werk ook met
ongepoetste schoenen doen."
Stolk heeft de neiging tegen het
systeem aan te schoppen. Maar volgens van der Veen is het
ook zijn manier om zich af te zetten
tegen de bijna onmogelijke dienstbevelen. "De shift
duurde normaal 12 uur. Kwam je rond zes
uur 's middags op het kamp terug, dan kon je
eten en rusten. Rob kreeg amper de tijd
om te eten en dan was het van : "Rob maak je
voertuig gereed. We moeten om zeven uur
vertrekken." Dan was hij pas om vier uur 's
nachts weer op de basis. Terwijl hij om
half zeven alweer wacht moest lopen." Als Rob een
keer een dienstbevel weigert, moet hij
zich verantwoorden bij de kapitein. Op zijn verklaring
dat hij al 48 uur dienst draait wordt
geantwoord: "Je bent hier niet in een vakantiekamp. Je
bent hier om te werken."
Eén voorval is Stolk het meest
bijgebleven. Het is 30 april 1982 en zangeres Hansje
Ravenstijn zal zingen voor de
Nederlandse troepen op het marktplein van Haris.
Het is Koninginnedag en het militaire
kader heeft verboden dat de Nederlandse soldaten
wapens dragen.
Hansje Ravenstijn komt op. Verkleed
als VN-militair met blauwe helm, en begint te strippen.
Jasje uit, helm af, broek uit en
uiteindelijk staat ze in een tijgervel. Voor westerlingen geen
probleem, maar een Libanees pakt een
geweer en begint te schieten.
Vervolgens breekt er een enorme chaos
uit. Rob Stolk ziet hoe zijn maten in elkaar worden
geslagen. Hij kan niet hen helpen, omdat
hij wordt bedreigd door een man met een wapen.
Achter Rob Stolk staat een majoor.
Die roept iets waarop de Libanees het geweer op hem
richt en schiet Dat moment staat in zijn
geheugen gegrift. De ongewapende Stolk ziet an een
kleine rookwolk en een lichte schok van
een geweer dat het afgaat. De kogel dringt door zijn
broekspijp. Stolk raakt niet gewond,
maar het machteloze moment beleeft hij steeds
opnieuw. Honderden malen heeft Rob Stolk
de film afgedraaid: "Terwijl de man schiet, pak
ik denkbeeldig mijn Uzi die normaal op
mijn rug hangt met ingeklapte kolf. Ik sla de kolf uit,
span en schiet de man dood. Alleen het
probleem was, ik had geen Uzi. Maar ik voel nog
steeds het koude staal in mijn handen
van het geweer."
Een groep Nederlandse VN-militairen
scheurt na het voorval naar het kamp en klimt daar in
een gepantserd voertuig, een YP-408
waarop een .50 machinegeweer staat. Aan boord is
voldoende munitie om het hele dorp uit
te moorden. Halverwege de terugrit naar Haris wordt
de YP-408 tegengehouden door andere
VN-eenheden. Rob Stolk staat achter de .50 en is
bereid te schieten.Jongens om hem heen
staan te huilen. Anderen gooien hun blauwe helm af
en dragen alleen de groene binnenhelm.
Stolk: "Als ze ons niet hadden gestopt hadden we
een bloedbad aangericht." Wat hem
nog meer dwarszit, is dat de Nederlandse officieren het
incident op het marktplein van Haris
later bagatelliseren. "Het werd afgedaan als een ruzietje
waarbij in de lucht werd geschoten. Dat
we als VN-militairen waren aangevallen door de
mensen die we elke dag beschermden, werd
gewoonweg ontkend. Naar dat gat in mijn
broekspijp wilde de commandant niet eens
kijken."
Zijn vertrek uit Libanon ervaart Rob
Stolk als een bevrijding. "We zagen het vliegtuig staan
en betrapten elkaar erop dat we steeds
sneller gingen lopen. " Al snel na terugkomst uit
Libanon voelt Rob Stolk dat er iets mis
is met hem. Hij is agressief. Wie hem een tikje op zijn
schouder geeft, kan rekenen op een
dreun. Hij erkent geen enkele vorm van meer. Als een
politieauto te lang achter hem rijdt,
stopt hij, stapt uit trekt het portier van de auto open en
bedreigt de agent.
Ook krijgt hij problemen met zijn
ouders. "Ik was weggegaan als een moederskindje en zo
wou mijn moeder me ook terug. Als zij me
wilde knuffelen zei ik: "Mens donder op." Werk
vinden is moeilijk. Hij solliciteert
opnieuw bij het ministerie van Defensie, want hij mist de
kameraadschap . Hij wordt afgewezen.
Koninklijke marechaussee: afgewezen. Rijkspolitie:
afgewezen. Bij de bewakingsdienst van
Vendex wordt hem verteld dat ze geen behoefte
hebben aan Rambo's. "Overal waar ik
solliciteerde en werd gescreend, kwamen ze op één of
andere manier te weten dat ik in Libanon
had gezeten en wilden ze mij niet."
Uiteindelijk accepteert hij een baan
als vuller van poederblussapparaten. Vervolgens haalt hij
wat diploma's en werkt als brandwacht
bij petrochemische bedrijven in de Europoort. Hij
krijgt ook verkering. In 1986 vier jaar
na Libanon trouwt Rob met Sylvia. Als ze trouwt,
heeft ze geen idee dat haar huwelijk
ooit zal stranden op Rob's ervaringen in Libanon. Sylvia:
"Hij heeft er gewoon over gepraat.
Hij had ook van die reünies en daar ging hij gezellig
heen."
Volgens haar is er nog een andere
oorzaak voor Rob's problemen na Libanon. "Hij heeft een
over beschermde jeugd gehad die hem nu
nog parten speelt. Hij is supereigenwijs en neemt
niets van een ander aan." Het
huwelijk komt echt onder druk te staan als Rob een eigen
computerbedrijf start en korte tijd
later failliet gaat. "We zaten tot onze nek in de schulden. Ik
woog nog maar 42 kilo. Als je ziet dat
je eigen man ten gronde gaat, ga je zelf ook
lichamelijk kapot."
Volgens Rob Stolk
heeft hij met Sylvia niet over de echte gebeurtenissen gesproken. "Ik had
de boel op slot gedaan." Ook dat
had hij aal Libanon overgehouden. Hij is niet meer in staat
om affectie te tonen. Zijn vrouw heeft
weliswaar een plekje in zijn hart, maar als het er op
aan komt, wijst hij elke blijk van
liefde af. "Toen ze op een gegeven moment vel over been
was, interesseerde me dat geen donder.
Helemaal niets!. Al was ze dood neer gevallen. Ik
dacht heel anders. Was met mezelf bezig.
Ik trok een muur op.